ECLI:NL:CRVB:2006:AV2560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door diefstal bij inlener
Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster bij een inlener en nam zonder uitdrukkelijke toestemming geld uit de kassa in de vorm van leningen met achterlating van briefjes. Hoewel zij deze bedragen later terugbetaalde, werd dit gedrag als onaanvaardbaar beschouwd en leidde het tot een vertrouwensbreuk met haar werkgever.
De werkgever vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan wegens gewichtige redenen, welke door de kantonrechter werd toegewezen. Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid volgens artikel 24 WW Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV een eigen onderzoeksplicht heeft en niet gebonden is aan het oordeel van de kantonrechter over verwijtbaarheid. De Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het zonder toestemming nemen van geld uit de kas niet werd getolereerd door de inlener en dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar handelen tot ontslag zou kunnen leiden.
Appellante voerde aan dat het ontslag op staande voet was ingetrokken en dat de sanctie disproportioneel was, maar dit werd door de Raad verworpen. De Raad stelde vast dat er geen omstandigheden waren die verminderde verwijtbaarheid rechtvaardigden en bevestigde de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door het zonder toestemming wegnemen van geld.