ECLI:NL:CRVB:2006:AV2561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na diefstal
Appellante was sinds juni 2002 in dienst als assistent bedrijfsleidster bij een werkgever. Na een onderzoek door Pro Serve Beveiliging & Recherche werd zij verdacht van diefstal van goederen op 18 juni 2003. Hierop werd zij geschorst en later ontbonden op neutrale gronden door de kantonrechter.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de diefstal voldoende aannemelijk was en dat appellante zich zodanig had gedragen dat zij de beëindiging van haar dienstverband kon verwachten.
In hoger beroep betwistte appellante dit oordeel, wijzend op het ontbreken van melding van diefstal in de ontbindingsbeschikking en de doorbetaling van salaris. De Raad concludeert echter dat de verklaring van appellante aan Pro Serve en het onderzoeksrapport doorslaggevend zijn en dat het onderzoek niet specifiek op haar gericht was.
De Raad bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, WW, en wijst het hoger beroep af. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na diefstal door appellante.