ECLI:NL:CRVB:2006:AV2766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Herleven van recht op WW-uitkering tijdens vakantie aansluitend op ZW-periode
Appellante ontving vanaf 1 april 2002 een WW-uitkering, die per 1 mei 2003 werd beëindigd vanwege een daaropvolgende ZW-uitkering. Vanwege de ziekte van haar vader op Curaçao meldde zij zich per 17 juni 2003 hersteld om vakantie te houden. De uitkeringsinstantie ontzegde haar de WW-uitkering over de vakantieperiode (17 juni tot 8 juli 2003) omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep herzag deze rechtspraak en oordeelde dat het recht op WW-uitkering kan herleven op de dag dat de vakantie begint, ook als deze aansluit op een ZW-periode. De vakantie viel binnen de toegestane duur volgens de Vakantieregeling, waardoor het niet beschikbaar zijn voor arbeid tijdens vakantie niet tot verlies van recht leidt.
Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering en is in strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot nieuw besluit en vergoeding van griffierecht.