ECLI:NL:CRVB:2005:AU3986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Herziening recht op WW-uitkering tijdens vakantie na oproepovereenkomst
Appellant, een bouwkundig medewerker met een tijdelijk oproepcontract, kreeg aanvankelijk recht op WW-uitkering. Na het einde van zijn werkperiode op 11 juli 2003 ging hij van 14 tot 18 juli met vakantie. Gedaagde stelde dat appellant tijdens deze vakantie geen recht had op WW-uitkering omdat hij op de eerste vakantiedag niet werkloos was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep heroverwoog dit standpunt en concludeerde dat de bestaande interpretatie van de WW tot onbevredigende uitkomsten leidde. De Raad stelde vast dat de wetgever niet heeft beoogd dat het recht op WW-uitkering alleen behouden blijft als de vakantie begint na het herleven van het recht op uitkering.
De Raad overwoog dat de vakantieregeling 1992 het mogelijk maakt met behoud van uitkering vakantie te genieten binnen een bepaalde periode en dat het genieten van vakantie niet kan worden gezien als het ontbreken van beschikbaarheid voor arbeid in deze context. Daarom moet de dag waarop het recht op WW-uitkering herleeft worden gesteld op de eerste vakantiedag, zodat appellant recht op uitkering behoudt tijdens zijn vakantie.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en droeg gedaagde op een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met deze uitspraak. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met behoud van recht op WW-uitkering tijdens vakantie.