ECLI:NL:CRVB:2006:AV3334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid na ongeschiktheidsontslag en weigering passende functie
Appellante was sinds 1998 in dienst bij de voormalige gemeente Grubbenvorst en werd na gemeentelijke herindeling per 1 januari 2001 bij de gemeente Horst aan de Maas geplaatst in een administratieve functie. Na enkele dagen ziekmelding werd zij eervol ontslagen wegens onbekwaamheid. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe, maar legde een maatregel op wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden omdat zij onvoldoende coöperatief was bij het zoeken naar ander werk binnen de gemeente.
In hoger beroep stelde appellante dat het ontslag wegens ongeschiktheid haar verwijtbaarheid uitsloot en dat zij intensief naar werk had gezocht, ook extern. Het UWV onderschreef dit deels, maar stelde dat de aangeboden functies niet passend waren. De gemeente voerde gemotiveerd verweer.
De Raad concludeerde dat appellante passende functies binnen de gemeente was aangeboden, waaronder bij de afdelingen Welzijn, Belastingen en afvalverwerking, die zij weigerde. Ook toonde zij een weinig coöperatieve houding bij het re-integratiebureau. De Raad oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden, dat de rechtbank niet buiten haar bevoegdheid trad en dat appellante niet in haar procesbelangen is geschaad. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en wijst het hoger beroep af.