ECLI:NL:CRVB:2006:AV6349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar en terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens niet opgegeven inkomsten
Appellant ontving een WAO-uitkering berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Gedaagde stelde vast dat appellant inkomsten uit arbeid had genoten bij een coffeeshop, zonder dit te melden, en trok de uitkering per 1 januari 2001 in. Tevens werd onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten, maar het bezwaar tegen de intrekking (primair besluit 2) werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaarperiode zonder verschoonbare reden. De Raad onderschreef dit oordeel, gelet op de feitelijke omstandigheden en communicatie voorafgaand aan de besluiten.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat appellant meer werkzaamheden en inkomsten had genoten dan opgegeven, mede gebaseerd op rapporten van de Belastingdienst en politie, verklaringen van betrokkenen en een arbeidsdeskundig rapport. De terugvordering van €102.893,67 werd als terecht bevestigd.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat hij slechts geringe werkzaamheden verrichtte en dat de toerekening van inkomsten onjuist was. Ook werd geen aanleiding gezien om af te zien van terugvordering op grond van redelijkheid of billijkheid.
De uitspraak van de rechtbank werd met verbetering van gronden bevestigd en de proceskostenveroordeling werd niet gewijzigd.
Uitkomst: Bezwaar tegen intrekking WAO-uitkering niet-ontvankelijk verklaard en terugvordering onverschuldigde uitkering bevestigd.