ECLI:NL:CRVB:2006:AV7566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Werkneemster was werkzaam als secretaresse en viel uit wegens klachten aan linker schouder en arm. Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd vastgesteld dat zij beperkt was in haar werkzaamheden, maar niet volledig arbeidsongeschikt. De uitkeringsinstantie weigerde aanvankelijk de WAO-uitkering, maar kende deze later toe met een mate van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid.
Appellante stelde beroep in tegen deze toekenning, waarbij zij bezwaar maakte tegen het onthouden van medische en arbeidskundige stukken. De rechtbank verwierp dit bezwaar en bevestigde de toekenning. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante ten onrechte kennisneming was onthouden van bepaalde stukken, die alsnog werden verstrekt.
De Raad bevestigt dat werkneemster niet volledig geschikt was voor haar eigen werk en dat de schatting van arbeidsongeschiktheid volgens het geldende Schattingsbesluit juist was. Gelet op de privacy van werkneemster acht de Raad het terecht dat niet alle medische gegevens aan appellante werden verstrekt. Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering blijft in stand.