ECLI:NL:CRVB:2005:AT5818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gedifferentieerde WAO-premie en compensatie wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie die appellante voor 1999 moet betalen, waarbij rekening is gehouden met WAO-uitkeringen van drie voormalige werkneemsters. De rechtbank oordeelde dat twee uitkeringen ten onrechte waren meegenomen, hetgeen door gedaagde werd aanvaard, en dat alleen de uitkering van betrokkene 3 in geschil bleef.
De Raad beoordeelde de medische gegevens en concludeerde dat de verzekeringsarts onvoldoende objectieve onderbouwing gaf voor het oordeel dat betrokkene geen duurzaam benutbare arbeidscapaciteit had. De beperkingen waren niet medisch objectief onderbouwd, waardoor de WAO-uitkering van betrokkene ten onrechte in de premieberekening was betrokken.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de bezwaarprocedure ruim zes jaar duurde, wat een schending van het recht op een redelijke termijn (artikel 6 EVRM Pro) inhoudt. Een compensatie in de vorm van premieverlaging was echter niet mogelijk vanwege dwingendrechtelijke bepalingen. De Raad wees ook op de toepassing van artikel 8:32 Awb Pro inzake medische stukken en bepaalde dat bepaalde niet-medische stukken niet onder geheimhouding behoefden te vallen.
Ten slotte werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, inclusief kosten van medische en arbeidskundige rapporten die in hoger beroep waren overgelegd. Het nieuwe besluit op bezwaar moet binnen 13 weken na verzending van deze uitspraak worden genomen.
Uitkomst: De WAO-uitkering van betrokkene is ten onrechte meegenomen in de premieberekening en het nieuwe besluit op bezwaar moet binnen 13 weken worden genomen; gedaagde wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.