ECLI:NL:CRVB:2006:AV7637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten AOW herziening wegens strijd met discriminatieverbod ex-gehuwden
De zaak betreft appellanten die bezwaar maakten tegen herziening van hun AOW-pensioenen door de Sociale verzekeringsbank, waarbij zij als gehuwdenpensioengerechtigden werden aangemerkt op basis van een onweerlegbaar vermoeden van gezamenlijke huishouding. De rechtbank had deze besluiten afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat toepassing van het onweerlegbaar vermoeden zonder temporele beperking strijdig is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De Raad stelt vast dat het huwelijk van appellanten meer dan twee jaar voor de herziening was ontbonden en dat het enkel vaststellen van een gezamenlijk hoofdverblijf niet voldoende is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. Wel is op grond van feitelijke omstandigheden, waaronder verklaringen van buurtbewoners en sociale recherche, vastgesteld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 1, vierde lid, van de AOW.
De Raad vernietigt de besluiten van 31 mei 2002, maar laat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand. Tevens veroordeelt de Raad de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellanten. De uitspraak bevestigt dat het onweerlegbaar vermoeden van gezamenlijke huishouding bij ex-gehuwden niet zonder temporele beperking mag worden toegepast.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten van 31 mei 2002 wegens strijd met artikel 26 IVBPR en verklaart de beroepen gegrond, maar laat de rechtsgevolgen in stand.