ECLI:NL:CRVB:2005:AU7657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige toepassing onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding bij ex-gehuwden
Appellant, een ex-gehuwde, ontving bijstand als alleenstaande. Na verhuizing naar een adres dat hij deelde met zijn ex-echtgenote, stelde de gemeente dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en schortte de bijstand op. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet melden van deze situatie.
De rechtbank verwierp het bezwaar van appellant, stellende dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3, vierde lid, Abw rechtmatig was. Appellant stelde dat dit rechtsvermoeden onredelijk was en dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van personen die niet ex-gehuwd waren.
De Raad oordeelde dat het onderscheid tussen ex-gehuwden en personen die eerder als gehuwd werden aangemerkt niet gerechtvaardigd is en in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Hierdoor moest het rechtsvermoeden bij ex-gehuwden worden beperkt tot een termijn van twee jaar na echtscheiding.
De besluiten werden vernietigd en de gemeente werd opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking van bijstand en oplegging van boete worden vernietigd wegens strijd met artikel 26 IVBPR en de gemeente dient nieuwe besluiten te nemen.