ECLI:NL:CRVB:2006:AV7671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning niet in strijd met IVBPR
Appellant en zijn echtgenote, beiden Kaapverdische nationaliteit, verblijven zonder verblijfsvergunning in Nederland en ontvingen sinds 1996 een WAO-uitkering. Zij vroegen bijzondere bijstand voor woonkosten aan op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), welke door het College van burgemeester en wethouders van Delfzijl werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad stelt vast dat appellant en zijn echtgenote geen recht op bijstand hebben omdat zij niet als vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 kunnen worden aangemerkt en niet met Nederlanders kunnen worden gelijkgesteld op grond van de Abw. Ook bijzondere bijstand op grond van zeer dringende redenen is uitgesloten.
De Raad toetst vervolgens of de weigering in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Gelet op eerdere uitspraken en het feit dat appellant vóór 1 juli 1998 geen verzoek om toelating heeft ingediend, is de Koppelingswet gerechtvaardigd en is er geen strijd met het IVBPR.
De Raad wijst ook het argument af dat eerdere huursubsidie of het ontvangen van een WAO-uitkering voor 1998 tot een ander oordeel zou moeten leiden. De beslissing van het College blijft daarmee gehandhaafd en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand aan appellant en zijn echtgenote.