ECLI:NL:CRVB:2006:AV8791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid en motivering bij toekenning WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Betrokkene was sinds 12 juli 1999 werkzaam als lasser bij gedaagde en meldde zich op 15 februari 2000 ziek met psychische klachten. De primaire verzekeringsarts concludeerde op 8 maart 2001 dat betrokkene geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden had, mede vanwege een geplande oogoperatie. Op basis hiervan kende het UWV een WAO-uitkering toe per 13 februari 2001. Gedaagde voerde bezwaar aan, stellende dat betrokkene zich ziek meldde na bericht over contractbeëindiging en dat er twijfel bestond over de aard en het ontstaan van de klachten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en oordeelde dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had onderzocht of betrokkene daadwerkelijk volledig arbeidsongeschikt was. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV niet adequaat rekening heeft gehouden met de door gedaagde verstrekte gegevens en dat het medisch onderzoek ontoereikend was. De Raad wijst ook op het ontbreken van een arbeidskundig onderzoek en onvoldoende motivering.
De Raad overweegt dat het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten niet als basis kan dienen voor de conclusies van de primaire verzekeringsarts, mede omdat de gevolgen van de oogoperatie onduidelijk zijn. De Raad concludeert dat het UWV niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen van de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling wordt achterwege gelaten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft onderzocht of betrokkene duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden had, waardoor het bestreden besluit vernietigd blijft.