ECLI:NL:CRVB:2006:AV9466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant heeft zelf ontslag genomen bij zijn werkgever terwijl er geen acute medische noodzaak was, waardoor hem verwijtbare werkloosheid is toegerekend. Na bezwaar en beroep heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de WW-uitkering geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat het UWV een deugdelijk onderzoek had verricht.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onder grote druk van de werkgever stond en door zijn geestelijke gesteldheid niet anders kon dan ontslag nemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij onder zodanige druk stond dat hij geen andere keuze had. Ook de verklaring van de leidinggevende en medisch advies ondersteunden dit niet.
De Raad concludeerde dat appellant de verplichtingen uit de Werkloosheidswet niet is nagekomen en dat het niet-nakomen daarvan in overwegende mate verwijtbaar is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid.