ECLI:NL:CRVB:2006:AW0979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag aan vluchteling met kinderen in Pakistan niet in strijd met nationaal en internationaal recht
Appellant, een in Afghanistan geboren vluchteling, vroeg kinderbijslag aan voor zijn in Pakistan verblijvende kinderen. De Sociale verzekeringsbank weigerde deze uitkering op grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad overwoog dat appellant niet tijdig reële stappen had ondernomen om zijn gezin naar Nederland te laten overkomen, waardoor een breuk in het huishouden werd aangenomen. Hierdoor kon appellant alleen aanspraak maken op kinderbijslag indien hij voldoende had bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn kinderen, hetgeen hij niet aannemelijk maakte.
Verder oordeelde de Raad dat de weigering niet in strijd is met het IAO-verdrag 118, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
De Raad concludeerde dat artikel 7b van de AKW, zoals ingevoerd door de Wet BEU, correct werd toegepast en dat Pakistan niet valt onder de landen waarin op grond van internationale verdragen recht op kinderbijslag kan bestaan. De weigering van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2000 is daarmee rechtmatig en niet in strijd met nationaal of internationaal recht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag aan appellant omdat zijn kinderen in Pakistan wonen en hij niet voldoet aan de onderhoudseis.