ECLI:NL:CRVB:2006:AW1872

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3649 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 9 AbwArt. 65 Abw
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens verblijf buiten Nederland langer dan gebruikelijke vakantieduur

De zaak betreft een geschil over de intrekking van een bijstandsuitkering aan gedaagde, die volgens appellant langer dan de gebruikelijke vakantieduur van vier weken buiten Nederland verbleef. De rechtbank Rotterdam had het besluit van 2 juli 2004 vernietigd omdat gedaagde aannemelijk had gemaakt dat hij op 12 augustus 2003 terugkeerde, en appellant onvoldoende rekening had gehouden met artikel 3:2 Awb Pro.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de intrekking van de bijstand over de periode van 9 tot 12 augustus 2003 terecht is omdat gedaagde langer dan vier weken buiten Nederland verbleef, wat volgens artikel 9 Abw Pro het recht op bijstand uitsluit. Voor de periode van 12 augustus tot 6 oktober 2003 is de intrekking echter niet deugdelijk gemotiveerd. Hoewel gedaagde de inlichtingenverplichting niet correct is nagekomen, is onvoldoende vastgesteld dat hierdoor ten onrechte bijstand is verleend.

De Raad vernietigt daarom het besluit voor de periode 12 augustus tot 6 oktober 2003 en beveelt appellant een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft het besluit over de periode 9 tot 12 augustus ten onrechte vernietigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Intrekking bijstand over 9-12 augustus bevestigd, intrekking over 12 augustus-6 oktober vernietigd en nieuw besluit opgelegd.

Uitspraak

05/3649 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2005, reg.nr. NABW 04/2351.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 februari 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door L.L. van der Linden, werkzaam bij de gemeente Schiedam, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Gedaagde, geboren [in] 1972, ontvangt sinds 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellant over de periode van 9 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003 ingetrokken. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat gedaagde langer dan de gebruikelijke vakantieduur van vier weken buiten Nederland verblijf heeft gehouden en/of dat gedaagde door na zijn verblijf in het buitenland zijn terugkeer van vakantie niet op de voorgeschreven wijze te melden de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Bij besluit van 2 juli 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 30 oktober 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 2 juli 2004 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat gedaagde heeft kunnen aantonen dat hij reeds op 12 augustus 2003 is teruggekeerd van vakantie, hetgeen strijd oplevert met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland. Ingevolge de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw wordt voor belanghebbenden zoals gedaagde, die de leeftijd van 57,5 jaar nog niet hebben bereikt, de gebruikelijke vakantieduur op vier weken per kalenderjaar bepaald.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat gedaagde van
12 juli 2003 tot 12 augustus 2003 in het buitenland heeft verbleven. De Raad stelt vast dat gedaagde van 9 augustus 2003 tot 12 augustus 2003 langer dan de gebruikelijke vakantieduur buiten Nederland verblijf heeft gehouden. Gedurende die periode stond derhalve artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw in de weg aan het verlenen van bijstand aan gedaagde. Appellant heeft dan ook het recht op bijstand van gedaagde over de periode van 9 augustus 2003 tot 12 augustus 2003 terecht met toepassing van die bepaling ingetrokken. Dit brengt mee dat de rechtbank het besluit van 2 juli 2004, voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 9 augustus 2003 tot 12 augustus 2003, ten onrechte heeft vernietigd.
De Raad stelt vast dat appellant de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 12 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003 uitsluitend heeft gebaseerd op de vaststelling dat gedaagde de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet naar behoren is nagekomen. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen, levert dat enkele feit echter geen toereikende grond op voor herziening of intrekking van het recht op bijstand. Daarvoor is immers tevens vereist dat komt vast te staan dat als gevolg van een vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, dan wel dat het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld. De intrekking van het recht op bijstand over de periode van 12 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003 berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. Dit brengt mee dat de rechtbank het besluit van 2 juli 2004, voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 12 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003, terecht heeft vernietigd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, behoudens voorzover daarin is beslist omtrent de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 2 juli 2004 vernietigen voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van
12 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003 en bepalen dat appellant ter zake een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van appellant.
Met het oog op de nadere besluitvorming merkt de Raad op dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant gedurende de periode van
12 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003 de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden door na zijn verblijf in het buitenland zijn terugkeer van vakantie niet op de voorgeschreven wijze aan gedaagde te melden. De voorhanden gegevens bieden echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat gedaagde als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet meer kan vaststellen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarin omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht is beslist;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2004 gegrond;
Vernietigt het besluit van 2 juli 2004, voorzover het betreft de intrekking over de periode van 12 augustus 2003 tot en met 6 oktober 2003;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.
Aldus gewezen door en mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get). R.C. Visser.
HE/1535