ECLI:NL:CRVB:2006:AW2064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens niet tijdig arbeidsongeschikt na beëindiging dienstbetrekking
Appellant was werkzaam als tomatenplukker tot 10 december 1991 en keerde in februari 1993 terug naar Marokko. Hij vroeg in 1996 ziekengeld aan, met de verklaring dat hij sinds 11 februari 1993 arbeidsongeschikt was. Dit verzoek werd geweigerd omdat de verplichte verzekering was beëindigd en de arbeidsongeschiktheid niet binnen één maand na het einde van de dienstbetrekking was begonnen.
In beroep stelde appellant dat hij al sinds 15 december 1991 arbeidsongeschikt was en bracht een verklaring van een arts in Marokko in. De rechtbank verwierp dit beroep. In hoger beroep werd dezelfde verklaring aangevoerd, maar de Raad oordeelde dat deze tegenstrijdig was met eerdere verklaringen en daarom weinig waarde had.
De Raad vond dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat hij binnen de vereiste termijn arbeidsongeschikt was geworden. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en de weigering van ziekengeld gehandhaafd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant niet binnen één maand na het einde van zijn dienstbetrekking arbeidsongeschikt werd.