ECLI:NL:CRVB:2006:AW2221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum recht op WW-uitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellante werkte aanvankelijk 33,35 uur per week bij een werkgever die failliet ging, waarna zij een faillissementsuitkering ontving. Daarna werkte zij in deeltijd bij een andere werkgever tot juni 2004. Gedaagde kende haar per 2 juni 2004 een WW-uitkering toe, maar stelde dat het recht niet eerder dan 8 december 2003 kon ingaan vanwege het ontbreken van een tijdige aanvraag.
Appellante voerde aan dat zij door gedaagde op het verkeerde been was gezet en dat haar schuldenpositie een bijzondere omstandigheid vormde om het recht eerder te laten ingaan. De Raad oordeelde dat geen sprake was van een bijzondere omstandigheid en dat appellante voldoende was geïnformeerd over de noodzaak van een aparte aanvraag.
De Raad bevestigde het besluit van gedaagde en de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep van appellante ongegrond werd verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het recht op WW-uitkering kan niet eerder dan 8 december 2003 ingaan omdat geen bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld.