ECLI:NL:CRVB:2006:AW3186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WW-uitkeringsweigering wegens verwijtbare werkloosheid en vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren
Appellant werkte van 26 juni 1995 tot 2 augustus 1998 als slagershulp bij Burg & Bol B.V. en vroeg vanaf 3 augustus 1999 een WW-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde het gemiddeld aantal arbeidsuren vast op 38 in plaats van 40, gebaseerd op verklaringen van de werkgever en toepasselijke CAO-bepalingen. Appellant betwistte dit, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Op 23 mei 2001 trad appellant in dienst bij Azivo via een uitzendbureau voor 34 uur per week, maar meldde zich op 7 juni 2001 ziek en hervatte zijn werkzaamheden niet vanwege onvoldoende inwerkperiode. Het Uwv weigerde de WW-uitkering met ingang van 11 juni 2001 blijvend geheel omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden.
De rechtbank verklaarde enkele beroepen niet-ontvankelijk en wees de overige af. In hoger beroep bevestigde de Raad het oordeel over het gemiddeld aantal arbeidsuren en oordeelde dat het niet hervatten van passend werk bij Azivo verwijtbaar was. De Raad oordeelde dat onvoldoende inwerken geen geldige reden is om niet terug te keren naar passend werk en wees het beroep van appellant af. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd per 11 juni 2001 wegens verwijtbare werkloosheid door eigen toedoen.