ECLI:NL:CRVB:2006:AW5235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beslissing over hoogte dagloon voor WW-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het dagloon dat ten grondslag lag aan zijn WW-uitkering, vastgesteld op f 107,83 inclusief vakantietoeslag. Hij stelde dat zijn loon bij zijn voormalige werkgever hoger was dan de administratie aangaf.
De rechtbank Maastricht heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard omdat hij onvoldoende bewijs leverde dat zijn loon daadwerkelijk hoger was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vijf dagen per week werkte tegen een netto-loon van f 1000 per week, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en benadrukt dat het bewijs van een hoger loon op de werknemer rust. De belastingaangiften van appellant over 1997 en 1998 waren in lijn met de loonadministratie, wat door de belastingdienst niet is gecorrigeerd. Daarom wordt de uitspraak bevestigd en wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een hoger dagloon en verklaart het beroep ongegrond.