ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9466

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3160 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging berekening dagloon bij WAO-uitkering zonder overwerkvergoeding

Appellant maakte bezwaar tegen het vastgestelde dagloon van €80,27 bij zijn WAO-uitkering, stellende dat zijn overwerkinkomsten niet waren meegenomen. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond omdat noch de arbeidsovereenkomst, noch loonopgaven structureel overwerk vermeldden en appellant geen bewijs had geleverd van overwerkbetalingen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de bewijslast onterecht bij hem lag, zeker gezien het late toekenningsmoment van de WAO-uitkering in 2008.

De Raad oordeelde dat het UWV een verantwoorde berekening had gemaakt op basis van loonbetalingen volgens de administratie van de werkgever. Het was aan appellant om bewijs te leveren van hogere inkomsten, wat hij niet deed. De werkgever had expliciet verklaard dat er geen meeruren waren verricht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is berekend zonder overwerkvergoeding wegens gebrek aan bewijs.

Uitspraak

10/3160 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010, 08/2905 en 08/3545 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 18 juli 2008 heeft het Uwv met ingang van 15 oktober 2001 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een dagloon van € 80,27.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het vermelde dagloon omdat zijn inkomsten uit overwerk bij zijn werkgever [naam bedrijf B.V.] niet bij de berekening van het dagloon zouden zijn betrokken. Bij besluit van 23 oktober 2008 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking genomen dat in de arbeidsovereenkomst met genoemde werkgever en in diens loonopgaven uit januari 2001 en uit januari 2003 geen melding is gemaakt van (structureel) overwerk, terwijl door appellant zelf geen bewijs is overgelegd op grond waarvan loonbetaling voor overwerk aannemelijk is geworden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel omdat de rechtbank heeft overwogen dat de bewijslast ter zake van het verricht hebben van overwerk bij hem ligt. Het is niet aan hem om dit aan te tonen, te meer daar het Uwv het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering pas in 2008 heeft genomen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Appellant heeft niet weersproken dat het Uwv bij de berekening van het dagloon een bedrag aan loon heeft betrokken dat overeenkomt met het loon dat volgens de opgave van de werkgever in de referteperiode aan hem is uitbetaald. De Raad is van oordeel dat het Uwv hiermee in beginsel een verantwoorde berekening heeft kunnen maken van het dagloon.
4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (verwezen wordt naar de uitspraken van 30 maart 2006, LJN AW5235 en 4 mei 2011, LJN BQ3939) ligt het in die situatie op de weg van de werknemer die stelt méér loon ontvangen te hebben dan is vermeld in de administratie van de werkgever, om toereikend bewijs te leveren voor deze stelling. De Raad ziet geen aanleiding om hierover in het onderhavige geding anders te oordelen. Dat het Uwv pas in 2008 de WAO-uitkering heeft toegekend, is daarvoor onvoldoende.
4.3. Appellant is er niet in geslaagd dat bewijs te leveren. Daartoe wijst de Raad erop dat de werkgever op 9 januari 2001 in de ‘Werkloosheidswet Werkgeversverklaring origineel’, op de vraag of er meeruren zijn verricht (werkzaamheden buiten de normale arbeidsduur die afwijken van de werkzaamheden die binnen de normale arbeidsduur worden verricht), met ‘nee’ heeft geantwoord. Voorts heeft de werkgever in januari 2003 op het formulier ‘Vragen loonopgave werkgever’ ingevuld dat appellant een vast overeengekomen bruto loon per week had van € 374,37 welk bedrag werd vermeerderd met een prestatie-, tarief- of vaste toeslag van € 15,90. Beide bedragen zijn in aanmerking genomen.
4.4. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) R.L. Rijnen.
KR