ECLI:NL:CRVB:2010:BN2192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren voor WW-uitkering
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin het gemiddeld aantal arbeidsuren per week voor de berekening van haar WW-uitkering is vastgesteld op 38,63 uur. De rechtbank had reeds geoordeeld dat appellante niet toereikend had bewezen meer uren te hebben gewerkt dan uit de administratie van de werkgever bleek.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het UWV zelfstandig onderzoek had moeten doen naar het aantal daadwerkelijk gewerkte uren. De Raad voor de Rechtspraak onderschrijft echter het oordeel van de rechtbank en stelt dat het op de werknemer rust om bewijs te leveren indien zij meer uren wil doen gelden dan de werkgever heeft geregistreerd.
De Raad overweegt dat de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren en het dagloon conform artikel 16 van Pro de WW en het Besluit gelijkstelling arbeidsuren correct is toegepast. De door appellante overgelegde aanvullende stukken zijn onvoldoende om het oordeel te wijzigen.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing is uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep op 22 juli 2010.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren en dagloon door UWV bevestigd.