ECLI:NL:CRVB:2006:AW5347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vaststellingsovereenkomst
Appellante was sinds juni 2001 werkzaam bij een werkgever en meldde zich in augustus 2002 ziek. Na een bedrijfsartsadvies werd zij geschikt geacht om vier uur per dag aangepaste werkzaamheden te verrichten. De werkgever ontsloeg haar op staande voet in oktober 2002, waarna een vaststellingsovereenkomst werd gesloten en de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter werd ontbonden per 1 februari 2003.
Appellante ontving tot augustus 2003 een Ziektewetuitkering en vroeg vervolgens een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering met ingang van augustus 2003 omdat appellante verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door instemming met de vaststellingsovereenkomst en het niet hervatten van passend werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betwist appellante dat zij zonder meer heeft ingestemd met het ontslag en stelt dat zij bereid was aangepast werk te verrichten, maar dat de werkgever geen passend werk heeft aangeboden. De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de beschikbaarheid en het aanbod van passend werk en vernietigt het besluit. Het UWV moet het bezwaar opnieuw beoordelen met inachtneming van deze uitspraak en het verzoek tot vergoeding van renteschade.
De Raad veroordeelt het UWV tevens in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet het bezwaar opnieuw beoordelen.