ECLI:NL:CRVB:2006:AW6728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid zonder acute noodzaak tot ontslag
Appellant was in dienst bij het Nederlands Politie Instituut op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, verlengd tot 1 januari 2002. Op 27 april 2001 nam hij ontslag wegens een vermeende onherstelbare vertrouwensbreuk. Hij vroeg vervolgens een WW-uitkering aan per 1 juni 2001, die door het Uwv werd geweigerd omdat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, stellende dat de door appellant aangevoerde redenen geen acute noodzaak tot ontslag vormden. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad onderschreef de eerdere beoordeling volledig. Uit het persoonlijk verslag van appellant bleek geen ernstig verstoorde arbeidsverhouding die ontslag rechtvaardigde.
De Raad oordeelde dat begrijpelijke onvrede over de ambtelijke organisatie onvoldoende zwaarwegend is voor ontslag en bevestigde de weigering van de WW-uitkering. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend volgens artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid zonder acute noodzaak tot ontslag.