ECLI:NL:CRVB:2006:AW8249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant, werkzaam als eerste stuurman, meldde zich ziek vanwege de gezondheidssituatie van zijn vrouw en kon zijn functie niet meer uitoefenen. De werkgever had geen functie aan de wal beschikbaar en sprak ontslag uit. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door het niet voortzetten van zijn werk zonder geldige reden.
De rechtbank oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was omdat hij zonder onderbouwde reden zijn werk stopzette en te laat solliciteerde. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat hij vanwege sociale omstandigheden en zijn situatie geen verwijt kon worden gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV de uitkering ten onrechte heeft geweigerd op grond van artikel 24 WW Pro, omdat appellant redelijkerwijs geen verweer kon voeren tegen het ontslag en het UWV geen verwijt kon maken. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient opnieuw te beslissen.