ECLI:NL:CRVB:2006:AX1900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beslissing over recht op WW-uitkering na eervol ontslag wegens onbekwaamheid
Gedaagde, die sinds 1998 als beleidsadviseur werkte bij de Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland, kreeg per 1 juli 2003 eervol ontslag wegens onbekwaamheid. Op 10 juli 2003 vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk het recht op uitkering niet vast en weigerde een voorschot vanwege vermoedelijk verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde niet-ontvankelijk omdat het UWV volgens haar nog geen beslissing op bezwaar had genomen. Het UWV stelde in hoger beroep dat het besluit van 22 april 2004 wel een volledige heroverweging was, waarbij ook inhoudelijk werd beslist over het recht op WW-uitkering en de toepassing van maatregelen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV ten onrechte artikel 31, derde lid, WW had toegepast en dat het UWV verplicht was een volledige heroverweging te doen conform artikel 7:11 Awb Pro. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde de Raad het UWV voorwaardelijk in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.