ECLI:NL:CRVB:2006:AX2042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WIK-uitkering wegens voldoende middelen appellant
Appellant ontving vanaf 13 maart 2002 een WIK-uitkering voor kunstenaars. Het College van burgemeester en wethouders van Maastricht trok deze uitkering in per 10 februari 2004 omdat appellant over voldoende middelen beschikte, gebaseerd op bankafschriften waaruit bleek dat hij maandelijks geld van zijn vader ontving. Tevens werd de onverschuldigd betaalde uitkering van € 11.730,34 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij door bedrijfsmatige verliezen toch recht had op uitkering. De Raad oordeelde dat appellant geen recht had op uitkering omdat zijn inkomen hoger was dan de norm en dat toepassing van de artikelen over definitieve vaststelling van inkomen niet aan de orde was.
De Raad constateerde echter dat het College het besluit baseerde op de tot 1 januari 2004 geldende WIK, terwijl de wet per die datum was gewijzigd. Hierdoor berustte het besluit niet op de juiste wettelijke grondslag. De Raad vernietigde het besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WIK-uitkering wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.