ECLI:NL:CRVB:2006:AX3044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte WAO-dagloon en wettelijke rente bij nabetaling
Appellant betwistte de hoogte van het vastgestelde WAO-dagloon, stellende dat toeslagen zoals TIN-toeslag, CAO-toeslag en overuren ten onrechte niet zijn meegenomen. Het UWV had het dagloon verhoogd maar hield geen rekening met deze toeslagen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad onderschrijft deze beslissing, mede omdat appellant onvoldoende bewijs leverde voor het daadwerkelijk ontvangen van genoemde toeslagen.
Daarnaast werd gedebatteerd over de vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling. De rechtbank oordeelde dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf de aanmaning van 17 mei 2001. Appellant wilde rente vanaf de oorspronkelijke toekenning van de WAO-uitkering of vanaf 1 januari 1992. De Raad stelt dat wettelijke rente pas na aanmaning verschuldigd is en wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat het UWV erkende dat eerdere rentevergoedingen vanaf een eerdere datum berustten op fouten.
Het besluit van 23 juni 2003, waarin het UWV rente over rente niet toekende, wordt vernietigd. Het UWV moet een nieuw besluit nemen en wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant. Het hoger beroep tegen een andere uitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Bevestiging vaststelling dagloon zonder toeslagen en wettelijke rente pas vanaf aanmaning verschuldigd; nieuw besluit over rentevergoeding door UWV.