ECLI:NL:CRVB:2006:AX3062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herleving WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant ontving vanaf januari 2004 een WW-uitkering en trad in maart 2004 in dienst bij een werkgever met een arbeidsovereenkomst voor een jaar en een proeftijd van twee maanden. In mei 2004 beëindigde appellant het dienstverband tijdens de proeftijd vanwege een onaangename werksfeer. Het UWV weigerde de herleving van de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf ontslag had genomen zonder dat er gegronde redenen waren om de voortzetting van het dienstverband te weigeren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant en zijn leidinggevende, alsmede de overige stukken, duidelijk maken dat appellant zelf ontslag heeft genomen. De door appellant aangevoerde problemen op het werk en knieklachten werden onvoldoende onderbouwd om te concluderen dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
De Raad benadrukte dat appellant eerst de problemen had moeten bespreken of andere stappen had moeten ondernemen voordat hij ontslag nam. Er waren geen omstandigheden die het UWV zouden kunnen verplichten om af te wijken van de weigering van de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De herleving van de WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant zelf ontslag nam zonder gegronde redenen.