ECLI:NL:CRVB:2006:AX3256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ziekengeld wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 3 mei 1999 een Ziektewet-uitkering (ZW). Uit onderzoek bleek dat hij in de periode van 12 oktober 1998 tot en met 23 mei 1999 gedurende 86 dagen werkzaamheden verrichtte voor een werkgever zonder dit te melden aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Hierdoor werd onverschuldigd ziekengeld betaald.
Het Uwv vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. Appellant maakte bezwaar en voerde aan minder uren te hebben gewerkt dan door de werkgever was opgegeven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Uwv op grond van de beschikbare gegevens en het ontbreken van nadere bewijsstukken van appellant de omvang van de werkzaamheden mocht schatten.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar leverde geen concrete of verifieerbare gegevens ter onderbouwing. De Raad oordeelde dat het Uwv zorgvuldig had gehandeld en dat het risico van het ontbreken van gegevens voor appellant kwam. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van ziekengeld wegens niet gemelde werkzaamheden en verklaart het beroep van appellant ongegrond.