ECLI:NL:CRVB:2006:AX3771

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4251 WW, 04-4293 WW, 04-4292 WW, 04-4295 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb04-4251 WW04-4293 WW04-4292 WW04-4295 WW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoogte WW-dagloon en wettelijke rente bij herziening besluit

Betrokkene werkte bij een werkgever en ontving een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon van f 171,05. Na bezwaar werd het dagloon per 1 februari 1994 verhoogd naar € 80,51. Betrokkene stelde dat toeslagen zoals zes extra vakantiedagen, reiskostenvergoeding buitenland en diverse andere toeslagen meegenomen moesten worden in het dagloon. Het UWV erkende het eerdere besluit als onrechtmatig, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene kwamen vanwege onvolledige gegevensverstrekking en late verzoeken.

De Raad overwoog dat het vaste maandloon niet wijzigt door extra vakantiedagen en dat de toeslagen niet voldoende waren aangetoond. Ook werd verwezen naar eerdere jurisprudentie over de reiskostenvergoeding die slechts recht gaf op een jaarlijkse vergoeding, ongeacht dubbele betalingen. De Raad verwierp het beroep van betrokkene.

Ten aanzien van de wettelijke rente oordeelde de Raad dat het UWV weliswaar rente vanaf 1 maart 1994 verschuldigd was, maar dat het verzoek om rente over rente toe te kennen niet was gehonoreerd. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en veroordeelde het UWV in de proceskosten van betrokkene. De Raad gelastte het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat de toeslagen niet zijn aangetoond en veroordeelt het UWV in proceskosten, met een nieuw te nemen besluit over rente.

Uitspraak

04/4251 WW, 04/4293 WW, 04/4292 WW, 04/4295 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
1. [betrokkene] , wonende te [woonplaats],
2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
appellanten
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2004, kenmerk 03/1333 en 03/1561 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant sub 1
en
appellant sub 2
Datum uitspraak: 11 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant sub 1 (verder te noemen: betrokkene) heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Ook appellant sub 2 (verder te noemen: het Uwv) heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd, en namens het Uwv zijn verschenen mr. R.G. Willems-Cremers en F.P.L. Smeets, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Betrokkene werkte laatstelijk bij [werkgever] te [vestigingsplaats]. Bij besluit van 10 februari 1994 heeft het Uwv met ingang van 1 februari 1994 aan betrokkene een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 171,05. In dit besluit heeft betrokkene berust.
Bij brief van 29 april 2002 is namens betrokkene verzocht bij de berekening van het dagloon alsnog rekening te houden met de aan betrokkene betaalde reiskostenvergoeding buitenland, pensionkostentoeslag, zes extra reisdagen, extra vakantiedagen en diverse toeslagen, waaronder de CAO-toeslag, waarbij tevens is verzocht om over de nabetaling wettelijke rente te vergoeden. Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het Uwv het WW-dagloon van betrokkene met ingang van 1 februari 1994 alsnog vastgesteld op € 80,10. Daarbij is alsnog rekening gehouden met een reiskostenvergoeding buitenland van
f 1427,98 per jaar.
Bij besluit van 9 september 2003 (verder te noemen: bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2003 gegrond verklaard en is het WW-dagloon per 1 februari 1994 verhoogd naar € 80,51.
Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft het Uwv aan betrokkene een bedrag ad € 99,20 aan wettelijke rente toegekend. Vervolgens is, gelet op bestreden besluit 1, bij besluit van 26 september 2003 een bedrag van in totaal € 134,12 aan wettelijke rente toegekend. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 27 oktober 2003 (verder te noemen: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond verklaard en bestreden besluit 2 is vernietigd. Volgens de rechtbank is het Uwv ingaande 1 maart 1994 wettelijke rente verschuldigd.
Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de zes extra reisdagen moeten doorklinken in het WW-dagloon, evenals diverse andere toeslagen die hij zou hebben ontvangen. Ook moet met een hoger bedrag aan reiskostenvergoeding buitenland rekening worden gehouden.
Het Uwv heeft in hoger beroep erkend dat het besluit van 10 februari 1994 onrechtmatig was. Volgens het Uwv dienen de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit echter veeleer voor risico van betrokkene te komen. Daartoe acht het Uwv doorslaggevend dat betrokkene zelf onvolledige gegevens heeft verstrekt, akkoord is gegaan met de dagloonvaststelling en eerst na zeer geruime tijd om herziening van zijn dagloon heeft verzocht. Eerst ingaande de eerste dag van de maand volgend op die waarin de beslistermijn op het verzoek van 29 april 2002 was verstreken, is het Uwv wettelijke rente verschuldigd.
De Raad overweegt als volgt.
De hoogte van het dagloon
Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene van 29 april 2002 is het Uwv teruggekomen van het besluit van 10 februari 1994.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005, LJN AU0008, is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan betrokkene is aan te geven waarom dat eerdere besluit niet juist zou zijn en van zijn stellingen -uiterlijk in de bezwaarfase- het nodige bewijs te leveren.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra vakantiedagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter.
De ontvangst van andere door betrokkene geclaimde toeslagen is niet aangetoond.
Met betrekking tot de reiskostenvergoeding verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 14 juli 2005, LJN: AU0013. Ingevolge artikel 14 van Pro de arbeidsovereenkomst van betrokkene bestond recht op vergoeding van de reiskosten in verband met de jaarlijkse vakantie in Marokko. Het enkele feit dat in de referteperiode de betaling van deze vergoeding toevalligerwijs tweemaal heeft plaatsgevonden doet er niet aan af dat tot het voor betrokkene rechtens geldende loon slechts de aanspraak op een jaarlijkse vergoeding bestond. Het aan de Dagloonregels ten grondslag liggende dervingsbeginsel verzet zich er ook tegen om de dubbele betaling in aanmerking te nemen.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.
De wettelijke rente
Uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005, LJN AU8983, volgt dat het hiervoor weergegeven standpunt van het Uwv door de Raad wordt onderschreven. Dat het betoog van betrokkene met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente niet door de Raad wordt gevolgd, blijkt onder meer uit eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 14 juli 2005.
Het hoger beroep van het Uwv slaagt echter niet, omdat is verzuimd rente over rente toe te kennen. Ter zitting heeft het Uwv medegedeeld dat de verschuldigde wettelijke rente per 1 mei 2006 € 154,33 bedraagt en het Uwv heeft de Raad verzocht ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aldus zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal dit verzoek niet honoreren. Namens betrokkene is weliswaar erkend dat de berekening van de wettelijke rente, uitgaande van de ingangsdatum 1 juli 2002, juist is, maar voor de Raad staat niet vast dat betaling uiterlijk op 1 mei 2006 zal plaatsvinden.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 weliswaar terecht gegrond heeft verklaard, zij het op onjuiste gronden.
Conclusie
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad heeft in het voorgaande aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- terzake van verleende rechtshulp.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat het Uwv met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 september 2003;Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene, tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.