ECLI:NL:CRVB:2006:AX5377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering wegens niet aanvaarden passende arbeid
Appellant, een dakdekker, kreeg een WW-uitkering toegekend. Hij werd door het CWI verwezen naar een vacature bij een bedrijf waar hij eerder slechte ervaringen had en waarvan hij geruchten kende over problematische loonbetalingen. Hij ging niet op de vacature in, omdat hij verwachtte snel bij zijn vorige werkgever aan de slag te kunnen.
Het UWV weigerde daarop de uitkering met ingang van 31 maart 2004 en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het werk passend was en de redenen van appellant onvoldoende waren.
De Raad oordeelt dat het aangeboden werk passend was, maar dat onvoldoende vaststaat dat appellant bij sollicitatie daadwerkelijk was aangenomen. Ook was onduidelijk of het CWI meer kandidaten had gewezen en of appellant voldeed aan het gevraagde ervaringsniveau. Daarom vernietigt de Raad het besluit van het UWV en bepaalt dat een nieuwe beslissing moet worden genomen.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.