ECLI:NL:CRVB:2006:AX5762

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1282 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door weigering contractverlenging

Appellant werd door het UWV de WW-uitkering geweigerd omdat hij geen verlenging van zijn contract voor bepaalde tijd wilde accepteren, waardoor hij verwijtbaar werkloos werd geacht. Na bezwaar en hoorzitting handhaafde het UWV dit standpunt in het bestreden besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad stelt vast dat de werkgever appellant een nieuw contract voor zes maanden heeft aangeboden, wat appellant had moeten aanvaarden om werkloosheid te voorkomen. De door appellant aangevoerde omstandigheden en zijn vertrouwen in een contract voor onbepaalde tijd rechtvaardigen volgens de Raad het weigeren van het aanbod niet.

De Raad concludeert dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en daarmee verwijtbaar werkloos is in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Werkloosheidswet. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door het niet aanvaarden van de contractverlenging.

Uitspraak

05/1282 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 januari 2005, 04/210 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2006. Appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 26 september 2003 heeft het Uwv appellant de WW-uitkering met ingang van 3 september 2003 blijvend geheel geweigerd op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is geworden, nu hij geen verlenging van het contract voor bepaalde tijd wilde aanvaarden. Naar aanleiding van het bezwaarschrift en de hoorzitting heeft het Uwv enkele keren nadere informatie ingewonnen bij onder meer de werkgever, waarop appellant in de gelegenheid is gesteld om op de verkregen informatie te reageren. Bij besluit op bezwaar van 7 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn in het besluit van 26 september 2003 neergelegde standpunt in zoverre gewijzigd dat appellant thans verwijtbaar werkloos wordt geacht doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden door niet in te gaan op het aanbod van de werkgever.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep en ter zitting heeft appellant herhaald dat hem geen aanbod is gedaan tot verlenging van het arbeidscontract met zes maanden.
De Raad overweegt als volgt.
In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.
De Raad deelt, gezien de voorhanden zijnde gegevens, de opvatting van het Uwv en de rechtbank dat appellant de verplichting zoals neergelegd in voormeld artikel heeft overtreden. Gelet op de inhoud van de gedingstukken stelt de Raad vast, dat de werkgever appellant in verband met het verstrijken van de arbeidsovereenkomst met ingang van
3 september 2003 opnieuw een contract voor de duur van zes maanden heeft aangeboden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat, indien de werkgever geen contract voor zes maanden had aangeboden, niet valt in te zien waarom de werkgever in de brief van
22 augustus 2003 aan appellant, waarin de werkgever het einde van de arbeidsovereen-komst heeft bevestigd, daarover een andere lezing heeft gegeven. Naar het oordeel van de Raad had appellant om werkloosheid te voorkomen het aanbod moeten aanvaarden ondanks het feit dat zijn verwachting, dat het nieuwe contract er één voor onbepaalde tijd zou worden, niet uitkwam. De door appellant genoemde omstandigheden en de door hem als onbetrouwbaar ervaren werkgever, brengen niet mee dat hij het aanbod had mogen weigeren.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2006.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.D.F. de Moor.
BvW/185