ECLI:NL:CRVB:2006:AX6489

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3821 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AbwArt. 113 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing voorbereidingsperiode zelfstandig ondernemerschap op grond van de Algemene bijstandswet

Appellant, ontvanger van een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), verzocht het College van burgemeester en wethouders van Groningen om toepassing van artikel 8, zesde lid, Abw, zodat hij zich met behoud van bijstand kon voorbereiden op zelfstandig ondernemerschap. Het College wees dit verzoek op 21 oktober 2002 af en verklaarde het bezwaar hiertegen op 19 oktober 2004 ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing.

In hoger beroep stelde appellant zich gemotiveerd op tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het College niet onjuist had gehandeld in haar beoordeling en dat het College terecht was uitgegaan van het advies van het Bureau Advisor om appellant niet toe te laten tot de voorbereidingsperiode. De Raad verwierp de herhaalde gronden van appellant en bevestigde de aangevallen uitspraak.

De Raad benadrukte dat artikel 8, zesde lid, Abw bedoeld is om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt maximaal 12 maanden ontheffing van de sollicitatieplicht te geven om zich voor te bereiden op zelfstandig ondernemerschap. Hierbij is begeleiding verplicht en moet aannemelijk zijn dat na de voorbereidingsperiode een succesvolle aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen mogelijk is. Het College had dit zorgvuldig beoordeeld en de aanvraag terecht afgewezen.

De Raad zag geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen en sprak het vonnis uit in aanwezigheid van de griffier op 23 mei 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een voorbereidingsperiode op zelfstandig ondernemerschap.

Uitspraak

05/3821 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 mei 2005, 04/1218 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).
Datum uitspraak: 23 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 april 2006, waar partijen - met bericht van verhindering - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Op 4 september 2002 heeft appellant het College gevraagd om toepassing van artikel 8, zesde lid, van de Abw teneinde zich - met behoud van bijstand - te kunnen voorbereiden op zijn start als zelfstandig ondernemer.
Bij besluit van 21 oktober 2002 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen.
Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 8, zesde lid, van de Abw bepaalt dat bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking, gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden kan worden voortgezet. In een zodanig geval is artikel 113, eerste lid, onder a, b, c en f, niet van toepassing, is belanghebbende verplicht zich te onderwerpen aan begeleiding door een door burgemeester en wethouders aangewezen derde en kan tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen maximumbedrag bijstand worden verleend ter voorziening in met de voorbereiding samenhangende kosten.
Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikelonderdeel (Kamerstukken II 1998-1999, 26 498, nr. 3) maakt deze bepaling het voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt mogelijk zich gedurende maximaal 12 maanden, onder ontheffing van de sollicitatieplicht, voor te bereiden op het zelfstandig ondernemerschap. Begeleiding gedurende de voorbereidingsperiode is noodzakelijk waarbij de belanghebbende verplicht is aan die begeleiding mee te werken. In de voorbereidingsperiode kan betrokkene cursussen volgen, zo nodig marktonderzoek verrichten en eventueel kleine investeringen doen. Begeleiding en selectie vooraf waarborgen dat alleen kansrijke kandidaten voor een voorbereidings- periode in aanmerking komen. Alvorens de belanghebbende tot de voorbereidingsfase wordt toegelaten dient de gemeente zich ervan te vergewissen dat aannemelijk is dat na deze voorbereiding een succesvolle vervolgaanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen kan worden ingediend.
Het besluit van het College van 19 oktober 2004 berust mede op het op 20 september 2004 aan het College uitgebrachte advies van het Bureau Advisor om appellant niet voor de voorbereidingsperiode in aanmerking te laten komen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is dat het College bij de beoordeling van de aanvraag een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dat het College mocht afgaan op het advies van het Bureau Advisor en in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag van appellant om in aanmerking te komen voor een voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 8, zesde lid, van de Abw af te wijzen. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht is een herhaling van de in eerste aanleg aangevoerde gronden en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.