ECLI:NL:CRVB:2006:AX6852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij samenwoonde met haar partner, voerde de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek uit. Dit leidde tot het besluit het recht op bijstand te beëindigen per 1 september 2002, de uitkering over de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 augustus 2002 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen.
Daarnaast legde het College een boete op wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete gegrond en verlaagde deze, waarna het College een nieuw besluit nam met een lagere boete. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep tegen de boete niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en bevestigt het overige van de aangevallen uitspraak.
De Raad oordeelt dat appellante en haar partner vanaf 1 juli 2000 een gezamenlijke huishouding voerden, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Abw, en dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering of boete af te zien. De opgelegde boete is terecht verlaagd conform de Maatregelenverordening WWB. Het hoger beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard.
Uitkomst: Beëindiging en terugvordering van bijstand bevestigd; hoger beroep tegen boete niet-ontvankelijk verklaard.