ECLI:NL:CRVB:2006:AX8387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en woonplaatsvraag
Appellante ontving van 1997 tot 2000 bijstand en bijzondere bijstand in 2001. Na toekenning van AOW-pensioen in 2000 startte de gemeente een onderzoek naar haar recht op bijstand wegens vermoedens van gezamenlijke huishouding elders en verblijf buiten de gemeente. De gemeente trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelde dat de gemeente naliet te beoordelen of appellante daadwerkelijk haar woonplaats had verplaatst, wat essentieel is voor het recht op bijstand. De motivering van het besluit was ondeugdelijk.
De Raad stelde vast dat appellante gedurende de relevante periode haar woonplaats niet had verplaatst, mede op basis van verklaringen van haarzelf, familie en buren. Hierdoor was het besluit tot intrekking en terugvordering onterecht.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de gemeente in de proceskosten. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van woonplaats en inlichtingenverplichting bij intrekking van bijstand.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en de gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten.