ECLI:NL:CRVB:2006:AX9740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling hoogte nabestaandenuitkering volgens nationale berekening en EG-regelgeving
Appellant betwistte de vaststelling van zijn nabestaandenuitkering per 1 januari 1998 door de Sociale verzekeringsbank (Svb), waarbij hij zowel principiële bezwaren had tegen de Nederlandse wetgeving als tegen de berekeningswijze van zijn uitkering.
De Svb had de uitkering berekend op basis van twee methoden: de nationale berekening volgens de Algemene nabestaandenwet (ANW) en de EG-Verordening 1408/71. De Svb paste de gunstigste berekening toe, namelijk de nationale berekening, en hield rekening met het inkomen van appellant, waaronder de Duitse Versorgungsrente die als inkomen uit arbeid werd aangemerkt.
De Raad overwoog dat de Versorgungsrente terecht niet volledig in mindering werd gebracht en dat de Svb conform de regelgeving had gehandeld. Tevens oordeelde de Raad dat de nationale wetgeving niet in strijd is met het EG-Verdrag of internationale rechtsbeginselen, mede gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Goudswaard-van der Lans.
Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.