ECLI:NL:CRVB:2006:AY0053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens niet-verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 1982 in dienst bij zijn werkgever en kreeg per 1 april 2005 ontslag na een incident op 12 november 2004. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn, omdat hij had kunnen weten dat zijn onveilige gedrag tot ontslag zou leiden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het ontslag voorzienbaar was vanwege eerdere waarschuwingen en gedragsaanwijzingen.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en dat het incident niet leidde tot een voorzienbaar ontslag. De Raad stelde vast dat er geen verplichte looproute was, veiligheidsvoorschriften ontbraken, en dat het incident niet zodanig ernstig was dat ontslag direct te verwachten was. Ook erkende de werkgever een onjuistheid in de rapportage van het incident.
De Raad oordeelde dat het gedrag van appellant op 12 november 2004 niet voorzienbaar tot ontslag leidde en dat het UWV ten onrechte had geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos was. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat het ontslag niet voorzienbaar was en appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden.