ECLI:NL:CRVB:2006:AY0123

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4545 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang bij bijstandsverlaging

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam verlaagde de bijstand over april 2004 met 100% wegens verwijtbare weigering passend werk te aanvaarden. Appellant maakte bezwaar, dat door het College ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het beroep gegrond.

In hoger beroep kwam appellant gemotiveerd op de uitspraak terug. Tijdens het hoger beroep heeft het College het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit van 14 april 2004 herroepen en de uitkering aan appellant uitbetaald. Hierdoor is volledig aan het beroep tegemoetgekomen.

De Raad stelt vast dat het procesbelang is vervallen en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Wel veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 juni 2006.

Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang; College veroordeeld tot proceskosten en griffierechtvergoeding.

Uitspraak

05/4545 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2005, 04/3278 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College),
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Namens appellant is een reactie ingezonden op een vraag van de Raad.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 2 mei 2006. Partijen zijn met schriftelijke kennisgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving ten tijde van belang bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.
Het College heeft de bijstand over de maand april 2004 bij besluit van 14 april 2004 verlaagd met 100% op de grond dat appellant verwijtbaar heeft geweigerd passend werk te aanvaarden.
Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2004 bij besluit van 30 september 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 30 september 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Appellant is gemotiveerd van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Hangende hoger beroep heeft het College bij besluit van 24 april 2006 opnieuw op het bezwaar van appellant beslist in die zin dat het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2004 gegrond wordt verklaard, dat dit besluit wordt herroepen en dat de uitkering over de maand april 2004 alsnog aan appellant zal worden uitbetaald.
Namens appellant is de Raad bericht dat met het besluit van 24 april 2006 aan alle bezwaren is tegemoetgekomen, maar dat niettemin een beslissing op het beroep wordt gewenst met name voor wat betreft de in hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt vast dat met het besluit van 24 april 2006 volledig aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Daar waar niet (meer) van enig procesbelang bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak en het besluit van 30 september 2004 is gebleken, dient, gezien het voorafgaande, het hoger beroep wegens vervallen procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 322,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;
Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R.C. Visser.