ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens inkomsten uit arbeid in referteperiode
Appellante ontvangt sinds 1998 bijstand en vroeg in 2004 een langdurigheidstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de WWB. Het College wees de aanvraag af omdat zij in de referteperiode van 60 maanden inkomsten uit arbeid had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
In het hoger beroep stelde appellante dat haar inkomsten destijds volledig op de bijstand waren gekort en dat zij nu gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, waardoor zij niet meer kan werken. De Raad oordeelde dat het ontvangen van inkomsten uit arbeid in de referteperiode, ook al werden deze volledig op de bijstand gekort, de toekenning van de toeslag uitsluit. De arbeidsongeschiktheid van appellante geeft geen recht op de toeslag.
De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en benadrukte dat het niet gaat om geringe inkomsten van korte duur. De afwijzing van de aanvraag wordt bevestigd en de proceskosten worden niet aan appellante opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat appellante in de referteperiode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen.