ECLI:NL:CRVB:2006:AY1705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Herziening recht op bijstand en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande ouder en later als alleenstaande met toeslag. Na een opsporingsonderzoek stelde het College vast dat zij vanaf 15 februari 2000 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, wat zij niet had gemeld. Hierdoor werd haar recht op bijstand herzien en werden teveel ontvangen toeslagen teruggevorderd.
De Raad beoordeelde of het College bevoegd was tot herziening en terugvordering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit de feiten bleek dat het hoofdverblijf van appellante en haar partner sinds medio februari 2000 dezelfde woning was, ondanks het aanhouden van aparte adressen. De verzorging van de partner na een beroerte bevestigde het gezamenlijke verblijf.
De Raad oordeelde dat appellante vanaf die datum als gehuwd moest worden aangemerkt en dus niet langer zelfstandig bijstandgerechtigd was. Het College kon daarom terecht het recht op bijstand herzien en de teveel betaalde toeslagen terugvorderen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd wegens onjuiste bevoegdheidsgrondslag, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.
Tot slot werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd bepaald dat de gemeente het betaalde griffierecht vergoedt.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het College mag het recht op bijstand herzien en toeslagen terugvorderen vanaf 15 februari 2000.