ECLI:NL:CRVB:2006:AY1928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening wegens te late griffierechtbetaling afgewezen
Verzoeker diende een verzoek om herziening in tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Verzoeker betaalde het griffierecht pas ruim na de gestelde termijn, namelijk op 24 februari 2006, terwijl de termijn was gesteld in een brief van 1 november 2005.
Verzoeker maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring door middel van verzet. Tijdens de zitting op 8 juni 2006 verscheen verzoeker in persoon, terwijl de Staatssecretaris van Defensie zich niet liet vertegenwoordigen. De Raad oordeelde dat verzoeker geen gegronde argumenten had aangevoerd om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.
De Raad benadrukte dat volgens artikel 8:41 in Pro samenhang met artikel 8:88, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het griffierecht verplicht is bij een verzoek om herziening en dat van deze dwingendrechtelijke bepalingen niet kan worden afgeweken. Het principiële standpunt van verzoeker dat er geen griffierecht verschuldigd zou zijn wegens vermeende fouten in eerdere uitspraken, werd niet aanvaard.
Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 juni 2006.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening wordt ongegrond verklaard vanwege te late betaling van het griffierecht.