ECLI:NL:CRVB:2006:AY3597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Herbeoordeling WAO-uitkering met toepassing van CBBS en motivering van arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als produktiemedewerker, viel in oktober 1999 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Na een verkeersongeval in augustus 2001 meldde hij zich ziek met nek- en rugklachten, waarna een herbeoordeling plaatsvond. De verzekeringsarts constateerde een whiplash-trauma en een verergering van agressieproblematiek, wat leidde tot een ongewijzigde vaststelling van arbeidsongeschiktheid.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische onderzoeken onjuist waren uitgevoerd en dat zijn beperkingen werden onderschat, met name de gevolgen van zijn agressieve gedrag. De Raad oordeelde echter dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten bood om de vastgestelde belastbaarheid te herzien. Ook werd geen aanleiding gezien voor nader medisch onderzoek.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling gebruikte het UWV het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De Raad stelde hoge eisen aan de motivering van dit systeem en concludeerde dat de nadere motivering door de bezwaararbeidsdeskundige toereikend was. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens aanvankelijke gebreken in de motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro.
De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan appellant voor zowel de eerste aanleg als het hoger beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.