ECLI:NL:CRVB:2006:AY3904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na illegale handelspraktijken
Appellant was werkzaam bij een dochteronderneming van een holding en werd ontslagen wegens betrokkenheid bij illegale handelspraktijken. Het UWV weigerde de WW-uitkering blijvend omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad overwoog dat sinds december 2000 huisregels golden die het aannemen van geld en het meenemen van goederen verboden, met sancties tot ontslag. Appellant heeft erkend dat hij na die datum goederen meenam en geld aannam, en getuigenverklaringen bevestigen zijn betrokkenheid bij illegale praktijken. Er was geen aanwijzing dat overtredingen voor 15 oktober 2002 werden getolereerd.
De Raad concludeert dat appellant zich verwijtbaar heeft gedragen en dat de weigering van de WW-uitkering terecht is. Verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.