Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AY3906

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/1702 WW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen, maar betaalde het griffierecht van €102 niet binnen de gestelde termijn. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Appellant deed hiertegen verzet en voerde aan dat financiële omstandigheden geen belemmering mogen zijn voor toegang tot de rechter.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het griffierecht niet zo hoog is dat het de toegang tot de rechter wezenlijk belemmert, verwijzend naar eerdere jurisprudentie van de Europese Commissie voor de rechten van de mens. Verder was appellant niet tijdig in gebreke gesteld of verzocht om uitstel, ondanks dat hij pas later melding maakte van een aanvraag bijzondere bijstand.

Op grond hiervan oordeelde de Raad dat het verzet ongegrond is en dat het verzuim appellant kan worden tegengeworpen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden van de Raad, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2006.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

05/1702 WW
Centrale Raad van Beroep
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 januari 2005, 04/95 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 10 augustus 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 10 augustus 2005 heeft appellant verzet gedaan.
De behandeling van het verzet is ter zitting van 17 mei 2006 aan de orde gesteld, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 10 augustus 2005 berust hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van
€ 102,-- niet binnen de laatstelijk door de griffier bij aangetekend verzonden brief van
3 mei 2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd, geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat appellant eerst in zijn verzetschrift van 14 september 2005 ervan melding heeft gemaakt dat hij een aanvraag heeft ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht. Appellant heeft de Raad ook niet eerder verzocht om hem in verband daarmee een langere termijn te geven om het griffierecht te voldoen.
Appellant verwijst in zijn verzetschrift weliswaar naar een verzoek van 27 april 2005, maar een verzoek van die datum is in de vele zaken die van appellant bij de Raad aanhangig zijn, niet aangetroffen. Wel is in het geding bij de Raad met kenmerk 05/1773 NABW bij brief van 24 april 2005 melding gemaakt van een aanvraag van bijzondere bijstand terzake van het griffierecht in dat geding. Appellant heeft daarbij niet aangegeven dat hij ook een dergelijke aanvraag heeft ingediend terzake van het griffierecht in het onderhavige, op de Werkloosheidswet betrekking hebbende, geding. Dat appellant, naar achteraf is gebleken, op 20 april 2005 een aanvraag van bijzondere bijstand terzake van het griffierecht in het WW-geding heeft ingediend -welke aanvraag overigens bij besluit van 13 juli 2005 is afgewezen- doet er niet aan af dat appellant de Raad daarvan niet eerder in kennis heeft gesteld.
Wat betreft de stelling van appellant dat algemeen aanvaard is dat financiële omstandigheden geen belemmering mogen zijn voor de toegang tot de rechtbank overweegt de Raad dat van het recht dat een belanghebbende ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet dient te betalen (thans € 102,--), niet kan worden gezegd dat het de toegang tot de rechter wezenlijk belemmert. De Raad verwijst dienaangaande nog naar de uitspraak van de Europese Commissie voor de rechten van de mens d.d. 13 december 1989 (gepubliceerd in Jurisprudentie Sociale Verzekeringen van 31 januari 1991, 23) waarin is overwogen dat een griffierecht van € 102,-- niet zo hoog is dat dit de toegang tot de rechter in hoger beroep zou kunnen belemmeren.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en
R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW
37