ECLI:NL:CRVB:2006:AY3911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.G.M. Simons
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering vanwege gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) die werd ingetrokken omdat hij sinds 1 december 1998 een gezamenlijke huishouding voert met een ander. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellant deze samenwoning niet had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en rechtvaardigt intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht.
Appellant voerde aan dat hij niet wist dat samenwoning invloed had op zijn uitkering en dat hij geen opzet had om dit te verzwijgen. Ook stelde hij dat de bezwaarprocedure te lang had geduurd. De Raad oordeelde dat appellant had moeten begrijpen dat samenwoning gemeld moest worden, mede omdat er kinderen uit de relatie waren en hij was voldoende geïnformeerd via bijsluiters en folders.
De Raad verwierp het verweer van appellant en bevestigde de intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht tot 1 december 1998. Hoewel de Svb de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar had overschreden, was er geen aanleiding tot vernietiging omdat appellant geen schadevergoeding had gevorderd. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.