ECLI:NL:CRVB:2006:AY3916

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4714 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AbwArt. 11 WwbAlgemene bijstandswetWet werk en bijstandInvoeringswet Wwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bijstandsuitkering wegens onduidelijk verblijfadres appellant

Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en later de Wet werk en bijstand (Wwb). Het College van burgemeester en wethouders van Almere wees de aanvragen af omdat het feitelijke verblijfadres van appellant niet kon worden vastgesteld.

Appellant gaf onvoldoende gevolg aan verzoeken om aanvullende gegevens te verstrekken, zoals een onderhuurcontract. Huisbezoeken en buurtonderzoek leverden geen nieuwe informatie op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad overwoog dat het College niet verplicht was tot een diepgaander onderzoek naar de woonsituatie, gelet op de eerdere gegevens en het gebrek aan medewerking van appellant. Ook de verklaring van de huiseigenaar en latere toekenning van bijstand na nader onderzoek veranderden hier niets aan.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 juli 2006. De Raad zag geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen.

Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat het verblijfadres van appellant niet vast te stellen is.

Uitspraak

05/4714 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2005, 04/1085
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)
Datum uitspraak: 11 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.E. Zweers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zweers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Koot, werkzaam bij de gemeente Almere.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 12 december 2003 heeft het College appellants aanvraag van 18 november 2003 om uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen op de grond dat het feitelijke verblijfadres van appellant niet is vast te stellen.
Appellant heeft op 25 februari 2004 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd.
Bij besluit van 6 april 2004 heeft het College de aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen. Het College heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 23 juli 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juli 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt als volgt.
Toepasselijk recht
Ter zitting is van de zijde van het College nader toegelicht dat het besluit van 23 juli 2004 is gebaseerd op de overweging dat appellant onduidelijkheid over zijn woon- en verblijfsituatie heeft laten bestaan, hetgeen in strijd is met de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 65 van Pro de Abw. Als gevolg daarvan kon niet worden vastgesteld of appellant ten tijde in geding in zodanige omstandigheden verkeerde, dat hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Met ingang van 1 januari 2004 zijn de Wwb en de Invoeringswet Wwb (IWWB) in werking getreden en is de Abw ingetrokken, met dien verstande dat enkele bepalingen - waaronder artikel 65 van Pro de Abw - eerst op een later tijdstip in werking treden dan wel vervallen. Ter zitting van de Raad is medegedeeld dat artikel 65 van Pro de Abw binnen de gemeente Almere met ingang van 1 januari 2005 is vervallen. De Raad stelt verder vast dat met ingang van 1 januari 2004 artikel 7, eerste lid, van de Abw is vervallen en het gelijkluidende artikel 11, eerste lid, van de Wwb in werking is getreden. Dit brengt mee dat in het onderhavige geval artikel 11 van Pro de Wwb en 65 van de Abw van toepassing zijn.
Ten gronde
De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden.
Hij voegt daaraan nog het volgende toe. Naar aanleiding van appellants aanvraag van 25 februari 2004 is appellant bij brieven van 1 maart 2004 en 8 maart 2004 in de gelegenheid gesteld om door het College noodzakelijke geachte gegevens - waaronder een onderhuurcontract - te verstrekken. Aan deze uitnodigingen heeft appellant geen, althans niet volledig, gevolg gegeven. Evenmin is gebleken dat appellant naar aanleiding van deze schriftelijke verzoeken contact heeft gezocht met medewerkers van de Dienst Sociale Zaken. De Raad stelt verder vast dat de pogingen tot huisbezoeken op 1 april 2004 en 5 april 2004 en het buurtonderzoek op 5 april 2004, vergeleken met de in december 2003 verkregen gegevens, geen nieuwe informatie hebben opgeleverd. In die omstandigheden, mede bezien in het licht van het, ook door appellant voor juist gehouden, besluit van 12 december 2003 was het College naar het oordeel van de Raad uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit niet gehouden tot een diepgaander onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Voorts kan de Raad aan de in beroep overgelegde verklaring van de huiseigenaar, bezien in samenhang met de door appellant onderschreven motivering van het besluit van 12 december 2003, geen zwaarwegende betekenis toekennen. Dit geldt evenzeer voor hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht in relatie tot zijn latere aanvraag om bijstandsuitkering, die heeft geleid tot toekenning van een uitkering op grond van de Wwb met ingang van 6 oktober 2004. Deze toekenning berust immers mede op het resultaat van nader onderzoek naar de woonsituatie van appellant, waaronder een bezichtiging van de woonruimte van appellant in de woning Barneveldpad 26.
Uit het bovenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en W.I. Degeling als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006.
get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.
BKH 210606