ECLI:NL:CRVB:2006:AY4129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WW-uitkering ondanks termijnverloop
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van een voorschot op haar WW-uitkering over de periode 5 augustus 2002 tot en met 15 september 2002, ter waarde van €3.000,--. Het UWV had dit voorschot teruggevorderd omdat het besluit van 31 oktober 2002, waarin de WW-uitkering werd geweigerd, onherroepelijk was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelt appellante dat de terugvordering ten onrechte is en dat het UWV de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor artikel 6 EVRM Pro en algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het geding zijn. De Raad overweegt dat de redelijke termijn pas begint te lopen vanaf het moment dat een geschil ontstaat, hier op 14 mei 2004 bij het indienen van het bezwaarschrift.
De Raad oordeelt dat het UWV op grond van artikel 36 WW Pro verplicht is het onverschuldigd betaalde voorschot terug te vorderen en dat het termijnverloop geen dringende reden vormt om hiervan af te wijken. Ook is er geen sprake van schending van het zorgvuldigheids- of rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van het voorschot WW-uitkering wordt bevestigd ondanks het termijnverloop.