ECLI:NL:CRVB:2006:AY4141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellante was sinds 1 februari 2001 werkzaam als medewerkster administratie bij haar werkgever. In 2004 werd haar medegedeeld dat er vanwege een reorganisatie geen herplaatsingsmogelijkheden waren en startte de werkgever een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden op grond van een verschil van inzicht over de functie-invulling, hoewel later bleek dat de reorganisatie de werkelijke reden was.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat zij niet inhoudelijk verweer had gevoerd tegen haar ontslag en daarmee verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overwoog dat appellante had moeten proberen haar dienstverband te behouden door niet in te stemmen met de beëindigingsovereenkomst en het ontbindingsverzoek. Het advies van haar rechtshulpverlener om dit niet te doen werd als onjuist beoordeeld. Omdat niet was aangetoond dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd, was zij verwijtbaar werkloos geworden en moest de WW-uitkering blijvend worden geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid van appellante.