ECLI:NL:CRVB:2006:AY4293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet naleven werkgeverseisen
Appellant was sinds 1 februari 2003 in dienst als tandtechnicus bij een praktijk te Wolvega, na ruim 30 jaar elders werkzaam te zijn geweest. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 december 2003 wegens onvoldoende aanpassing aan de wensen van de werkgever. Appellant vroeg WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant ondanks meerdere waarschuwingen en aanwijzingen zijn werkwijze en houding niet verbeterde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de werkgever onredelijke eisen stelde en dat hij zich wel degelijk had ingespannen, wat zou blijken uit voortgangsdocumenten.
De Raad oordeelt echter dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. Er is geen bewijs dat de werkgever onredelijke eisen stelde en appellant kon het werk technisch aan. De verklaring van appellant dat hij onder dwang voortgangsdocumenten tekende, wordt niet geloofd vanwege het late tijdstip en gebrek aan onderbouwing.
De Raad bevestigt het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.