ECLI:NL:CRVB:2006:AY4821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overname betalingsverplichtingen werkgever bij faillissement en opzegtermijn werknemer
Appellant was sinds 1977 in dienst bij zijn werkgever en kreeg op 25 juli 2002 te horen dat zijn arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2002 zou eindigen. De werkgever betaalde salaris tot augustus 2002, maar werd op 4 december 2002 failliet verklaard. Appellant vroeg een WW-uitkering aan voor de periode van de opzegtermijn die niet was betaald.
Het UWV nam betalingsverplichtingen over tot 6 september 2002, zes weken na 25 juli 2002, conform artikel 64 WW Pro en artikel 40 Faillissementswet Pro. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de uitkering tot 1 november 2002 moest lopen, omdat hij op het moment van betalingsonmacht niet meer in dienst was en artikel 62 WW Pro dan van toepassing zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opzegtermijn van zes weken geldt, ook als de werknemer al uit dienst was bij het intreden van de betalingsonmacht. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de toekenning aan een collega over een langere periode een fout was, die niet tot een precedent leidt.
De Raad concludeert dat de omvang van de uitkering volgens artikel 64 WW Pro en artikel 40 Faillissementswet Pro moet worden vastgesteld, ongeacht of artikel 61 of Pro 62 WW van toepassing is. De overname van betalingsverplichtingen door het UWV is daarom terecht beperkt tot de periode van zes weken na het intreden van de betalingsonmacht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de betalingsverplichtingen van de werkgever terecht heeft overgenomen tot zes weken na het intreden van de betalingsonmacht.