ECLI:NL:CRVB:2006:AY4821

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2461 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 WWArt. 64 WWArt. 61 WWArt. 40 FaillissementswetArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overname betalingsverplichtingen werkgever bij faillissement en opzegtermijn werknemer

Appellant was sinds 1977 in dienst bij zijn werkgever en kreeg op 25 juli 2002 te horen dat zijn arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2002 zou eindigen. De werkgever betaalde salaris tot augustus 2002, maar werd op 4 december 2002 failliet verklaard. Appellant vroeg een WW-uitkering aan voor de periode van de opzegtermijn die niet was betaald.

Het UWV nam betalingsverplichtingen over tot 6 september 2002, zes weken na 25 juli 2002, conform artikel 64 WW Pro en artikel 40 Faillissementswet Pro. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de uitkering tot 1 november 2002 moest lopen, omdat hij op het moment van betalingsonmacht niet meer in dienst was en artikel 62 WW Pro dan van toepassing zou zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opzegtermijn van zes weken geldt, ook als de werknemer al uit dienst was bij het intreden van de betalingsonmacht. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de toekenning aan een collega over een langere periode een fout was, die niet tot een precedent leidt.

De Raad concludeert dat de omvang van de uitkering volgens artikel 64 WW Pro en artikel 40 Faillissementswet Pro moet worden vastgesteld, ongeacht of artikel 61 of Pro 62 WW van toepassing is. De overname van betalingsverplichtingen door het UWV is daarom terecht beperkt tot de periode van zes weken na het intreden van de betalingsonmacht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de betalingsverplichtingen van de werkgever terecht heeft overgenomen tot zes weken na het intreden van de betalingsonmacht.

Uitspraak

05/2461 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2005, 03/2867 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Voor appellant is verschenen mr. Heek, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1 Appellant was sinds 3 januari 1977 in dienst bij [naam werkgever] te Schijndel (hierna: werkgever). Na verkregen ontslagvergunning heeft de werkgever, met inachtneming van de van toepassing zijnde CAO, bij brief van 25 juli 2002 de arbeidsovereenkomst tegen 31 oktober 2002 opgezegd.
2.2. De werkgever heeft het salaris van appellant tot en met de maand augustus 2002 betaald. Op 4 december 2002 is de werkgever failliet verklaard. Appellant heeft in verband daarmee een uitkering in het kader van Hoofdstuk IV van de WW aangevraagd.
2.3. Bij besluit van 5 juni 2003 heeft het Uwv betalingsverplichtingen van de werkgever overgenomen ter zake van loon over de opzegtermijn, vakantietoeslag en niet-opgenomen vakantiedagen tot en met 5 september 2002. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat de opzegtermijn loopt van 25 juli 2002 tot 5 september 2002.
2.4. Appellant heeft bezwaren tegen dat besluit gemaakt. Naar aanleiding van die bezwaren heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 15 september 2003 overwogen dat bij brief van 25 juli 2002 de arbeidsovereenkomst per eind oktober 2002 werd opgezegd. Gelet onder meer op het bepaalde in de Faillissementswet en de artikelen 62 en 64 van de WW heeft het Uwv de termijn van overname van de betalingsverplichtin-gen gesteld op zes weken na 25 juli 2002, zodat de voor appellant geldende opzegtermijn begint op 26 juli 2002 en eindigt op 6 september 2002. Om die reden heeft het Uwv de betalingsverplichtingen van de werkgever slechts tot 6 september 2002 overgenomen.
3. Namens appellant is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde bepalingen heeft de rechtbank, zich beperkend tot het geschil over de lengte van de opzegtermijn, geoordeeld dat deze opzegtermijn in casu op 26 juli 2002 is aangevangen zodat deze periode ingevolge artikel 64, aanhef en onder b, van de WW, in samenhang met artikel 40 van Pro de Faillissementswet loopt van 26 juli 2002 tot 6 september 2002. Aangezien vast staat dat de werkgever tot 1 september 2002 het loon heeft betaald, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellant terzake van die opzegtermijn uitkering op basis van Hoofdstuk IV van de WW toe te kennen over de periode van 1 september 2002 tot 6 september 2002.
4. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat uit artikel 62 van Pro de WW voortvloeit dat artikel 64 van Pro de WW niet van toepassing is ten aanzien van de werknemer die op het moment van het intreden van de betalingsonmacht niet meer in dienst van de werkgever is. Dat betekent volgens appellant dat het Uwv gehouden is om de betalingsverplichtin-gen van de werkgever tot 1 november 2002 over te nemen. Appellant vindt voor die stelling steun in de toekenning van een Hoofdstuk IV-uitkering aan een collega van appellant die in exact dezelfde omstandigheden verkeerde. Daarbij wijst appellant er tevens op dat die toekenning aan de collega, in verband met de werking van het gelijkheidsbeginsel, meebrengt dat ook hem een uitkering over het volledige deel van de onbetaald gebleven opzegtermijn toekomt.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Artikel 61 van Pro de WW geeft, kort gezegd, regels omtrent het recht op een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW aan een werknemer waarvan de werkgever in een blijvende toestand van betalingsonmacht is komen te verkeren.
5.2. Ingevolge artikel 62, aanhef en onder a, van de WW heeft de werknemer wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de WW geen recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV, tenzij een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden die tot die toestand hebben geleid.
5.3. Ingevolge artikel 64, aanhef en onder b, van de WW omvat het recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van Pro de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden.
5.4. Ingevolge artikel 40 van Pro de Faillissementswet kunnen werknemers in dienst van de gefailleerde de arbeids- overeenkomst opzeggen en hun kan wederkerig door de curator de arbeidsovereenkomst worden opgezegd, en wel met inachtneming van de overeengekomen of wettelijke termijnen, met dien verstande echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van zes weken.
5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de dienstbetrekking van appellant met zijn werkgever reeds was geëindigd voordat het faillissement van de werkgever was uitgesproken en dat in verband daarmee artikel 62, aanhef en onder a, van de WW van toepassing is. Anders dan appellant veronderstelt, wordt op basis van die bepaling slechts vastgesteld dat een aanspraak op een uitkering op grond van dat hoofdstuk bestaat, en bevat artikel 62 geen Pro bepaling aangaande de omvang van die aanspraak. Uit zowel de systematiek als de bewoordingen van het hiervoor aangehaalde artikel 64, aanhef en onder b, van de WW volgt dat de omvang van een Hoofdstuk IV-uitkering zowel voor de situatie van artikel 61 als Pro die van
artikel 62 van Pro de WW op een identieke wijze moet worden vastgesteld. In het geval van appellant betekent dit derhalve dat het Uwv met juistheid heeft vastgesteld dat de opzegtermijn van artikel 64 van Pro de WW, in samenhang met artikel 40 van Pro de Faillissementswet, loopt van 26 juli 2002 tot en met 5 september 2002. Dit betekent tevens dat het Uwv terecht slechts de onbetaald gebleven verplichtingen van de werkgever over de periode tot en met 5 september 2002 heeft overgenomen.
5.6. Ter zitting is namens het Uwv toegelicht dat de aan de collega van appellant verstrekte Hoofdstuk IV-uitkering over de volledige periode van 1 september tot 1 november 2002 berust op een fout en dat deze toekenning, op eenzelfde wijze als dat bij appellant is gebeurd, had moeten worden gebaseerd op een gemaximeerde opzegtermijn van zes weken vanaf 25 juli 2002. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor door de Raad is overwogen, onderschrijft de Raad niet de stelling van appellant dat het Uwv, met de toekenning van die uitkering aan de ex-collega van appellant over de volledige opzegtermijn, heeft erkend dat de interpretatie die appellant aan artikel 62 van Pro de WW heeft gegeven, de juiste uitleg is. Evenmin volgt uit die toekenning aan de ex-collega dat het Uwv gehouden zou zijn appellant thans een identieke uitkering toe te kennen. Een gemaakte vergissing behoeft immers in volgende identieke gevallen niet te worden herhaald of voortgezet.
6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. van Zoelen-Altunc als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
(get.) M.A. Hoogeveen.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te tekenen.